zondag 29 maart 2015

DE DIGITALE KLIK

DE DIGITALE KLIK

In  interview ‘Wanneer is ICT-gebruik effectief?’ met Klasse Leraren bespreekt Bram Faems het werken met ICT in de klas. Hij geeft aan dat veel leraren met ICT-stress zitten: het gevoel dat ze koste wat het kost met ICT moeten werken. Bram Faems kadert die angst. Volgens hem moet je slechts met ICT werken wanneer dat de leerstof ten goede komt en moet ICT geen doel op zich zijn. Ook geeft hij aan dat die ICT-angst nergens voor nodig is. Aangezien iedereen al met ICT werkt in zijn  privé-leven, gaat het er slechts om een mentale ‘klik’ te maken en die skills ook toe te passen in de les.

REFLECTIE

Gaat Faems hier niet te snel door de bocht door de ICT-stress weg te wuiven als een ongegronde angst? Ontbreekt het de meeste leerkrachten slechts aan een ‘klik’? Gaat hij het grondprobeem, namelijk dat leerkrachten die niet opgegroeid zijn met dergelijke technologische middelen niet weten waarvoor ICT ingezet kan worden en welke mogelijkheden dat met zich meebrengt -?

Angst

Hoewel Faems claimt dat ICT-stress niet nodig is, schrijft Klasse leraren in het artikel Nog teveel angst voor ICT op school dat er nog erg veel angst en weerstand bestaat om ICT te gebruiken in de klaslokalen. Dat bleek uit een vijfjaarlijks onderzoek ‘Monitor voor ICT-integratie in het Vlaamse onderzoek’, waaraan 741 scholen in 2012 deelnamen.

Uit dat onderzoek blijk dat leerkrachten hun pedagogisch-didactische competities om ICT in te zetten voor klasmanagement en om te evalueren het laagste inschatten. Slechts één op drie leerkrachten gebruikt volgens dit onderzoek wel eens een computer in de les.

In een onderzoek van Kennisnet blijkt dat de angst om te vernieuwen vergroot wordt door de onzekerheid van de docenten over de uitkomst van innovaties. Tevens is dat laatste gerelateerd aan een gebrek van kennis en vaardigheden om innovaties succesvol te laten worden (9)

Er is dus nog erg veel werk aan de winkel en het grote aantal leerkrachten dat er niet in slaagt ICT te integreren, wijst erop dat het om meer gaat dan een mentale ‘klik’ .

Onwetendheid

ICT zou zo vanzelfsprekend en gemakkelijk als een boek moeten zijn. Heb je een boek nodig om je les te kunnen geven? Gebruik dan een boek. Heb je een tool nodig waarbij je met vier leerlingen gelijktijdig aan een document wil kunnen werken? Gebruik dan ICT. (Faems)

Zo simpel is het voor Faems, die zelf ICT-nascholer is. Maar als je niet bent opgegroeid met ICT of ICT in het onderwijs, hoe kan je dan weten in welke gevallen ICT-gebruik opportuun is? Of ICT gebruikt wordt of niet ligt bij deze volledig bij de leerkracht. Sommige leerkrachten hebben nooit de nood om ICT te gebruiken, hoewel dat toch van hen verwacht wordt.

Bovendien zijn de voorbeelden die Faems aanhaalt in zijn artikelen (bv: een word-document op een bepaalde manier verbeteren.) voorbeelden van het gebruik van relatief eenvoudige technologie ter versterking van de huidige didactiek (Kennisnet 9). Dat terwijl ICT bij voorkeur op een constructivistische manier zou moeten ingezet worden ter transformatie van de bestaande didactische praktijken. Er is dus meer nodig dan een mentale klik.

In haar artikel Niet Nieuw, wel interactiever (2012) bespreekt Simone Timmermans het gebruik van digiborden op school. Zij stelt, net als Faems, dat ‘techniek vele voordelen kan bieden’ en dat ‘angst voor het overheersen van de techniek onnodig is’. Toch maakt ze hier een belangrijke kanttekenening:

Dergelijke techniekgedreven innovatie, het meemoeten met de ontwikkelingen, heeft maar een beperkte kans van slagen (Ten Brummelhuis, 2008). Als de invoering van het digibord nog niet door het onderwijs ondersteund wordt, weten docenten vaak niet goed wat ze met het digibord aan moeten” (Timmermans 4)

Leraars die al een kennis hebben van ICT voor ze ermee in contact komen in de klas hebben meestal geen probleem om de ICT-middelen toe te passen. De leraars die echter niet vertrouwd zijn met die middelen – en zo zijn er nog steeds veel – worden echter vergeten. Hun weerstand om met ICT-middelen kan je niet afdoen als de afwezigheid van ‘een klik’.

Eigen verantwoordelijkheid?

Door ICT-gebruik te omschrijven als een loutere ‘klik’ die iedereen moet maken,  wordt alle verantwoordelijkheid bij de leerkrachten gelegd, terwijl efficiënte omgang met ICT iets zou moeten zijn dat op schoolniveau ondersteund wordt.

Dat laatste wordt ook bepaald door de VLOR in haar Advies over ICT-integratie in het leerplichtonderwijs. In dat advies staat – overeenkomstig met een uitspraak van Faems – dat ‘niet de technologie an sich een meerwaarde biedt voor het onderwijs’ (8), maar de leraar die als ‘professional de kwaliteit van zijn onderwijs bewaakt en daarbij gebruik kan maken van moderne technologieën.’ (8-9). Faems vindt het vanzelfsprekend dat de leraar didactische inhouden kan koppelen aan de geschikte middelen (al dan niet ICT-middelen).

Hier komt echter de onwetendheid van de leraar weer roet in het eten strooien:

In de complexe dagelijkse praktijk [is de leraar] niet in staat om alle mogelijkheden te overzien en ook de kennis mist van alle beschikbare mogelijkheden om een keuze voor een bepaalde aanpak te kunnen maken. Die beperkte rationaliteit en de doelen die een docent belangrijk vindt bij het verzorgen van onderwijs, maken het terugvallen op bekende routines verklaarbaar en zijn mede een reden waarom innovatieprocessen zo moeizaam verlopen. (Kennisnet 9)

Hoe kunnen we ervoor zorgen dat de leraar wel de juiste inhouden aan de juiste vormen kan koppelen? Hierover lezen we in het Advies over ICT-integratie in het leerplichtonderwijs het volgende:

Om een goede afstemming tussen de inhoud, didactiek en technologie te bekomen, is er nood aan nascholing, begeleiding en ondersteuning tot op de klasvloer. Dit betekent dat er een laagdrempelig aanbod moet zijn dat alle leraars aanspreekt en motiveert om aan de slag te gaan. Die ondersteuning kan geboden worden door de pedagogische begeleiding, ICT-coördinatoren, netwerken van leergebieden of specifieke vakken, etc. Een keuze voor geïntegreerd ICT-gebruik verwacht een permanente professionalisering van de leraar. (Vlor 9)

ICT toepassen in de klas is dus geen kwestie van een simpele ‘klik’, aangezien werken met ICT, in tegenstelling tot de klassieke leermiddelen extra aandacht vraagt. ICT evolueert immers sneller en ‘de eigenlijke werking ervan is minder zichtbaar voor de leerkracht’ (9).

Conclusie

Leraren zien wel degelijk het nut in van ICT in de klassen. Niet weten wanneer ICT al dan niet nuttig is, is niet het hoofdprobleem. Het hoofdprobleem is wel dat vele leerkrachten zich niet competent voelen om ermee om te gaan. Bovendien voelen zij zich op vlak van ICT, door dat gebrek aan competentie, niet veilig tegenover de leerlingen (die er waarschijnlijk meer van weten). Dat stelt Johan Van Braak in het artikel Leraren moeten zich competent voelen om met ICT om te gaan’. Hij pleit voor ICT-coördinatoren die – bovenop de technische rol die ze nu veelal opnemen – ook instaan voor ‘pedagogische ondersteuning’ en ‘vormgeving van het ICT-beleid’.

Naast noodzaak, consistentie, nabijheid, sturing, betrokkenheid en communicatie, is begeleiding één van de zeven pijlers in het bereiken van een schoolbrede implementatie en acceptatie van ICT in de onderwijssector (De vries, et al, 2005). Die begeleiding houdt het volgende in: Worden alle belanghebbenden voldoende begeleid? Krijgen zij voldoende voorzieningen tot hun beschikking bij hun taken en verantwoordelijkheden in het proces van verandering, en zijn er opleidings- en trainingsmogelijkheden voor alle belanghebbenden?

De ‘ICT-stress’ waarover Faems het in zijn artikl heeft, kan dus niet afgedaan worden als een loutere kwestie van gezond verstand in het selecteren van geschikte vormen voor bepaalde vakinhouden. ICT-stress kan niet opgelost worden door het maken van een simpele ‘klik’. Leerkrachten moeten afdoende ondersteund worden, zodat zij complexe ICT-toepassingen kunnen inzetten ter bevordering van de didactiek. Daarvoor moet hun competentiegevoel opgekrikt worden in na- en bijscholingen. Enkel op die manier kan er voor de leraar een veilige omgeving gecreëerd worden waarin hij kan experimenteren met ICT in de klas.







PRIMAIRE BIBLIOGRAFIE

Klasse Leraren, “Wanneer is ICT-gebruik effectief?”, januari 2015. Geraadpleegd op 28 maart 2015. (http://www.klasse.be/leraren/52554/wanneer-is-ict-gebruik-effectief/)

SECUNDAIRE BIBLIOGRAFIE

De Vries, M., Van der Aa, P., Hezemans, M., Kinkhorst, G., Muizelaar, S., & Ritzen, M. (2005). Succesfactoren voor instellingsbrede implementatie van ICT in het onderwijs. Utrecht: Stichting SURF.

Fransen, J., Bottema J., et al. (2012) Acceptatie en duurzame implementatie van de

Klasse Leraren, “Nog teveel angst voor ICT”, november 2013. Geraadpleegd 28 maart 2015. (http://www.klasse.be/leraren/40547/leraren-bang-van-de-computer/)

Timmermans, S. “Niet nieuw, wel interactiever” Levende Talen Magazine 8 2012: 4-8. Online. Geraadpleegd 29 maart 2015. (file:///Users/johanvandekelder/Downloads/443-875-1-SM.pdf)

Vlor, Advies over ICT-integratie in het leerplichtonderwijs. 30 mei 2013, Brussel. Geraadpleegd 28 maart 2015. (http://www.vlor.be/sites/www.vlor.be/files/ar-ar-adv-016_0.pdf)




Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen