dinsdag 16 april 2013

Over de digitaal inheemse leerling

In voorgaande berichten las ik af en toe over de terughoudendheid van leerkrachten om digitale technologie in te zetten in hun lessen. In een reactie gaf ik zelf ook al aan mezelf als toekomstige leerkracht vragen te stellen naar hoe zich handhaven voor een groep “technologiewijzen”, waar ik mezelf niet echt voel bijhoren. Als je sommige media gelooft zijn de jongste generaties als het ware geboren met talenten die ervoor zorgen dat ze heel vaardig zijn in het gebruik van technologieën. Marc Prensky (2001) heeft het over de digitaal inheemsen (geboren na 1980). Het zou gaan om generaties waarbij digitale technologieën zoals computerspelletjes, email, Internet, sms, enz. integraal deel uitmaken van hun leven. Deze studenten zouden in vergelijking met hun voorgangers fundamenteel anders denken en informatie verwerken. Hiertegenover staat dan volgens Prensky de leerkracht als digitaal immigrant “die een verouderde taal (die van de predigitale generatie) spreekt en zwoegt om een populatie te onderwijzen die een volledig nieuwe taal spreekt”.

Meer recent onderzoek is hoopgevender wat de rol van het onderwijs en leerkrachten betreft. Zo las ik het onderzoek van Thompson (2013) dat de invloed van technologie op het leren van de digitaal inheemsen toch iets meer gevarieerd en complexer ziet.

Inleidend haalt de onderzoeker een aantal volgens haar populaire auteurs aan die beweren dat digitaal inheemsen zich onderscheiden door een aantal kenmerken zoals hun voorkeur voor snelheid, niet-lineaire verwerking en multitasking. Deze kenmerken zouden voortkomen uit onderdompeling in digitale technologie gedurende de kindertijd en adolescentie, periodes tijdens dewelke neuroplasticiteit hoog is. Sommige populaire auteurs zijn bang dat de nieuwe generatie studenten niet in staat is tot diepte-leren en productief werken, anderen zien het optimistischer maar beweren dat het onderwijs er niet in slaagt zich op de nieuwe noden af te stemmen.

In dit onderzoek gaven 388 eerstejaarsstudenten aan een Amerikaanse universiteit antwoord op een online zelfrapporteringsvragenlijst naar hun technologiegebruik en hun benadering tot leren. Thompson wenst met dit onderzoek de claims uit de populaire media empirisch te toetsen. Op zoek naar een definitie van de “digitale leerling” neemt ze de “tien kenmerken van de gamegeneratie” van Prensky als startpunt.

De studenten rapporteerden het meest gebruik te maken van Snelle Communicatie Technologie (sms, sociale netwerken als Facebook en instant messaging via de computer) en van Webbronnen (feiten op het web opzoeken of een onderwerp in de diepte exploreren, online video’s bekijken en muziek beluisteren). De respondenten rapporteerden geen of zeer onregelmatig gebruik van blogs of games. De onderzoekster concludeert ten eerste dat deze studenten een beperktere reeks aan technologische tools gebruiken dan in de populaire media wordt beweerd. Verder meent zij dat de ondervraagden binnen een leercontext niet het volledige voordeel uit deze tools halen. Daarom, stelt ze, is het voor onderwijzers van belang realistische inschattingen te maken van de technologische vaardigheden van hun studenten. Omdat de meerderheid van deze ondervraagde studenten beweert zelden online te gamen, zullen zij volgens Thompson bijvoorbeeld niet automatisch de logica van een educatief game begrijpen. Verder hanteren zij vaak een “zoek het antwoord vlug” benadering wanneer zij een zoekmotor op het web gebruiken. De onderzoeker pleit voor een iteratief zoekproces waarbij zoektermen worden verfijnd teneinde het diepte-leren te bevorderen en meer de voordelen van het web als informatiebron te exploiteren. Hierin ziet zij alweer een taak voor de leerkracht weggelegd.

Verder blijkt dat frequent gebruik van Snelle Communicatie Technologie enig verband (geen causaal verband) houdt met minder productief leergedrag. Onder productief leergedrag vallen onder meer gerichte aandacht, diepteverwerking, kunnen volharden. Deze relatie kan leraren inzicht verschaffen in welke studenten ondersteund moeten worden wat hun leergewoonten betreft. Volgens de auteur hebben studenten die geregeld tijdens de les betrapt worden op sms'en meer baat bij tussenkomsten om hun studievaardigheden te verbeteren dan bij straf voor hun onbeleefd gedrag in de klas.

In de populaire media wordt vaak beweerd dat studenten niet kunnen en niet willen leren zonder constant vermaakt te worden. De studenten in dit onderzoek laten blijken dat ze van leraren verwachten dat zij technologie en andere tools ter hun beschikking stellen die het leren aangenaam en minder als werk maken, zonder echter op zoek te zijn naar constant vermaak.

Het onderzoek besluit dat de geringe tot matige gevonden verbanden een minder deterministische relatie veronderstellen tussen technologie en leren dan wat de populaire media beweren. Technologie heeft inderdaad een belangrijke invloed op het leven van studenten, maar het gaat om één van vele invloeden. Leerkrachten hebben nog steeds de gelegenheid hun studenten te helpen navigeren doorheen het leren in de digitale wereld. Thompson hoopt dat de resultaten leiden tot verder onderzoek en beslissingen aangaande het onderwijscurriculum kunnen beïnvloeden.
Uiteraard gaat het hier om een kleinschalig onderzoek met onder meer gezien de specifieke en kleine respondentengroep een beperkte generaliseerbaarheid, wat Thompson zelf al aangeeft. De zelfrapportering en het feit dat de vragenlijst via het internet verstuurd werd (waardoor zij die geïnteresseerd zijn in technologie wellicht meer geneigd waren te antwoorden dan zij die dat niet zijn) zijn eveneens door de onderzoeker zelf aangehaalde verdere beperkingen.

Volgens mij bestaat de digitaal inheemse leerling niet echt, toch niet in de zin dat hij fundamenteel anders denkt en leert. Net zoals medestudente July De Wilde in een vorig bericht sta ik sceptisch tegenover hersenevoluties op amper een paar decennia tijd. Ik ga er niet van uit dat het verband tussen het digitaal technologiegebruik en veranderingen op het niveau van de hersenen zo duidelijk is, tenminste niet zolang mensen niet extreem doorschieten in hun digitaal gedrag en het contact met de realiteit verliezen. (In dit laatste geval begeven we ons dan op het domein van de psychologie en zelfs op dat van de psychiatrie: als we Rosen (2013) mogen geloven drijft ons gebruik van moderne technologie ons zelfs op de rand van een e-stoornis).
Ik had wel een aantal vragen i.v.m. hoe de generaties meer technologiewijze leerlingen te benaderen en te motiveren tot leren. Ik meen dat het resultaat van dit onderzoek – hoe kleinschalig ook – eerder geruststellend is voor (toekomstige) leerkrachten als mij die geboren zijn voor 1980 en dus opgegroeid en opgeleid in een predigitaal tijdperk. Wat universiteitsstudenten betreft is het technologisch gebruikspatroon blijkbaar dus minder ingewikkeld dan de invloed ervan op hun leren. Het ligt allemaal niet zo vast en ik zal er niet zomaar meer vanuit gaan dat leerlingen zich op de meest productieve manier bedienen van digitale technologie om te leren. Ik geloof in deze in de actieve rol van de leerkracht. Niet zozeer iemand die tussendoor even op weg helpt maar die wel de taak en mogelijkheid krijgt expliciet aandacht te besteden aan het meer technologiewijs maken van leerlingen in functie van hun leren.

Bronnen
Prensky, M. (2001). Digital Natives, Digital Immigrants. On the Horizon, 9(5), 1-6. Full text beschikbaar op http://www.marcprensky.com/writing/Prensky%20-%20Digital%20Natives,%20Digital%20Immigrants%20-%20Part1.pdf

Rosen, L.D. (2013). iDentity. Hoe ons digitaal gedrag ons leven bepaalt. Antwerpen: Manteau

Thompson, P. (2013). The digital natives as learners: Technology use patterns and approaches to learning. Computers & Education, 65(2013), 12-33. Full text beschikbaar op http://www.sciencedirect.com.ezproxy.vub.ac.be:2048/science/article/pii/S0360131513000225

2 opmerkingen:

  1. Veronique Berth verwijst in haar bijdrage naar een artikel van Marc Prensky. Uit nieuwsgierigheid heb ik dit artikel gelezen.
    De termen die Prensky gebruikt om het onderscheid te maken tussen de jongere generaties die met digitale media zijn opgegroeid en de oudere predigitale generaties vind ik niet slecht gekozen.
    Hij spreekt over ‘digital natives’ en ‘digital immigrants’. De typische gedragingen die hij toeschrijft aan elke groep vind ik grappig en confronterend tegelijkertijd. Geboren in 1979 behoor ik duidelijk tot de groep ‘digital immigrants’.

    Helaas baseert Prensky zijn bevindingen niet op wetenschappelijk onderzoek. Deze opmerking wordt ook aangehaald door Griet Vandervelt in haar bijdrage ‘de facebookgeneratie’.

    Thompson doet dit wel. Haar bevindingen (die in bovenstaande bijdrage werden samengevat), zijn wel gebaseerd op onderzoek. En net als zij vind ik dat er op dat terrein verder grootschalig onderzoek nodig is. Zeker als leerkracht is het belangrijk om te weten of leerpatronen van grote groepen leerlingen veranderen en hoe we ons daar dan tegenover moeten verhouden.
    Ik stel me de vraag of er al grootschalige en vergelijkende studies zijn gemaakt die de manier vergelijken waarop beide groepen (de zogezegde ‘natives’ en ‘immigrants’) nieuwe kennis, vaardigheden en attitudes opnemen en verwerken. Ik vind niet direct een antwoord in de bijdragen van mijn medestudenten.

    BeantwoordenVerwijderen